Onafhankelijk. Vanuit Brabant. Sinds 2010.
088-2555 355Klantomgeving
Domeinen & DNS

Een subdomein koppelen aan een externe dienst

Koppel bijvoorbeeld support.example.com met het gevraagde DNS-record, of delegeer een subzone als de dienst zelf DNS moet beheren. Dat zijn verschillende wijzigingen.

Heeft de dienst een record of eigen nameservers nodig?

Lees welke instructie de externe dienst voor uw account geeft. Meestal koppelt u één naam, zoals support.example.com, met een CNAME of met A- en eventueel AAAA-records. De rest van de DNS-zone blijft dan bij uw huidige provider.

Vraagt de dienst NS-records voor het subdomein, dan delegeert u een complete subzone. De externe nameservers worden verantwoordelijk voor de namen daaronder. Dat is een grotere wijziging dan alleen het webadres koppelen.

Eén naam koppelen

Controleer in welke DNS-zone de naam wordt beheerd. Bewaar de huidige records en voeg het door de leverancier verstrekte doel toe. Een CNAME gebruikt een domeinnaam als doel, geen URL met https:// of een pad. Een CNAME kan niet naast gewone andere records op exact dezelfde naam staan.

Voeg daarna het eigen domein ook in de externe toepassing toe. Alleen DNS aanpassen zorgt er niet voor dat die toepassing uw domein accepteert of een certificaat uitgeeft. Controleer eventuele verificatierecords en de HTTPS-status in het leverancierspaneel.

Een subzone delegeren

Laat eerst de nieuwe zone op de ontvangende nameservers aanmaken. Kopieer alle benodigde records binnen die subzone, ook mail- en verificatierecords. Voeg pas daarna de opgegeven NS-records voor de subzone toe in de bovenliggende zone.

Stem bij DNSSEC af of een DS-record voor de gedelegeerde zone nodig is. Laat bestaande conflicterende records niet ongemerkt achter. Vraag bij twijfel de DNS-beheerder om de delegatie te controleren.

Wat test u na de wijziging?

Controleer het DNS-antwoord van de betreffende naam, open de volledige HTTPS-URL en test de functie waarvoor u koppelt. Bewaar de oude inrichting totdat de nieuwe dienst werkt. Bij terugdraaien herstelt u zowel DNS als de toepassingsinstelling; houd rekening met nog gecachte antwoorden.

Voorbeeld: support.example.com koppelen

Een externe helpdesk geeft u een CNAME-doel voor support.example.com. Neem het exacte doel over uit uw eigen leveranciersaccount, zonder https:// of een pad. Controleer de huidige records op de naam support voordat u de wijziging opslaat. Een bestaande website op dat adres kan anders direct worden geraakt.

Voeg support.example.com ook toe in de helpdesk en voer de gevraagde eigendomscontrole uit. Soms vraagt die om een afzonderlijk TXT-record met een andere naam. Volg de opgegeven naam precies; probeer geen conflicterend TXT-record naast de CNAME op dezelfde naam te plaatsen. Laat de leverancier bij een conflict de bedoelde inrichting verduidelijken.

Controleer de grens van de wijziging

  • Een record voor support verandert niet vanzelf www of het hoofddomein. Controleer die namen apart als de leverancier daarom vraagt.

  • Een wildcard heeft een bredere werking dan één expliciete naam. Voeg die alleen toe als de beschreven koppeling dat nodig heeft.

  • Een NS-delegatie verplaatst de verantwoordelijkheid voor de hele subzone. Inventariseer dan ook bestaande namen onder die subzone.

  • Een geldig DNS-antwoord is nog geen geldig HTTPS-certificaat of geaccepteerde domeinkoppeling in de toepassing.

Fouten gericht onderscheiden

Krijgt u geen DNS-antwoord, controleer dan actieve nameservers, spelling en recordtype. Komt de juiste doelnaam terug maar toont de dienst een onbekend domein, controleer dan de domeintoewijzing bij de leverancier. Bij een certificaatfout bekijkt u de uitgifte- of validatiestatus. Maak de verbinding niet werkend door HTTPS-controle uit te zetten.

Komt u op de juiste pagina, test dan ook de functie waarvoor het adres is bedoeld, bijvoorbeeld een afgeschermde testaanvraag. Controleer eventuele redirects en mailbevestigingen. Bewaar de uitkomst en het wijzigingsmoment zodat de DNS-beheerder en applicatiebeheerder dezelfde situatie onderzoeken.

Ook opruimen hoort bij een koppeling

Zegt u de externe dienst later op, verwijder of wijzig dan de bijbehorende DNS-verwijzing volgens het afbouwplan. Een vergeten CNAME naar een dienst die u niet meer beheert kan ongewenst blijven verwijzen naar een vrijgekomen bestemming. Controleer eerst welke klantfuncties nog van het adres afhangen en bewaar de oude instelling voor de overdracht.

Moet u terug naar de vorige omgeving, herstel dan zowel de bedoelde DNS-waarde als de domeininstelling in de toepassing. Houd rekening met gecachte antwoorden en controleer beide bestemmingen tijdens de overgang.

← Terug naar de kennisbankEen vraag of aanvulling doorgeven