Controleer waar uw DNS actief is
Uw domeinregistratie, hosting en DNS kunnen op verschillende plekken staan. De nameservers van het domein bepalen welke DNS-zone wordt gebruikt. Een wijziging in DirectAdmin heeft daarom alleen effect als die omgeving de actieve DNS beheert. Gebruikt u DNS in het VedaWeb-portaal of bij een andere aanbieder, voer de wijziging daar uit.
Pas het record gericht aan
-
Bewaar de huidige waarde
Noteer naam, type, waarde en TTL. Controleer welke dienst het record gebruikt, zodat u zo nodig kunt terugkijken.
-
Open de DNS-zone
In DirectAdmin vindt u die bij “DNS Management”, vaak onder “Account Manager”. Selecteer eerst het juiste domein.
-
Vul de opgegeven gegevens in
Let op het recordtype en op de naam. Sommige panelen vullen de domeinnaam zelf aan; controleer de volledige naam voordat u opslaat.
-
Controleer de uitkomst
Vraag het gewijzigde record op en test de bijbehorende dienst. Een opgeslagen wijziging is door caching niet overal direct zichtbaar.
Wijzigt u het adres van de website, laat dan de mailrecords staan tenzij de e-mail ook verhuist. Een Google-verificatie voegt u bijvoorbeeld als afzonderlijk TXT-record toe. Voor een SPF-wijziging moet juist één geldig SPF-record overblijven waarin alle toegestane verzenders zijn meegenomen.
Het resultaat is nog niet zichtbaar
Controleer de actieve nameservers, de naam van het record en eventuele A- én AAAA-records. Daarna kan de eerdere TTL nog van invloed zijn op caches. Met dig kunt u verschillende antwoorden vergelijken. Verander niet tussendoor steeds meer instellingen; zo wordt de oorzaak moeilijker te vinden.
Meer achtergrond vindt u bij DNS-records begrijpen. Geef ons bij twijfel de domeinnaam en de bedoelde wijziging door, dan kijken we gericht mee.
Voorbeeld: alleen een websiteadres wijzigen
Stel dat alleen www.example.com naar nieuwe hosting moet. De e-mail blijft waar die is. Zoek eerst het bestaande record voor www en noteer of dit een A-record, AAAA-record of CNAME is. Neem daarna het recordtype en doel over uit de instructie van de nieuwe hosting. Een IPv4-adres hoort bij A, een IPv6-adres bij AAAA en een doelnaam bij CNAME. Gebruik geen webadres met https:// als recordwaarde.
Controleer ook example.com zonder www. Die naam kan een afzonderlijke bestemming hebben. Een achtergebleven AAAA-record kan bezoekers via IPv6 nog naar de oude server sturen terwijl IPv4 al goed staat. Verwijder het niet automatisch, maar laat beide adressen aansluiten op de bedoelde inrichting. Bewaar MX-, SPF-, DKIM- en verificatierecords die bij diensten horen die blijven werken.
Veld voor veld controleren voordat u opslaat
Naam: controleer of het paneel de domeinnaam automatisch aanvult. www.example.com.example.com is een andere naam dan u bedoelt.
Type en waarde: vergelijk deze met de ontvangen instructie. Een CNAME op een naam kan niet naast gewone andere recordtypen op diezelfde naam staan.
TTL: noteer de bestaande waarde. Een lagere TTL helpt pas nadat eerder opgeslagen antwoorden zijn verlopen; achteraf verlagen wist geen caches.
Bestaande records: voeg een TXT-verificatie gericht toe. Maak bij een SPF-aanpassing geen tweede SPF-record met een andere verzendlijst.
Controleer DNS én de functie
Naam: www.example.com
Actieve DNS-aanbieder:
Oud recordtype, waarde en TTL:
Nieuw recordtype, waarde en TTL:
Reden en afgesproken wijzigingsmoment:
Wie controleert website, HTTPS en eventuele koppeling:
Uitkomst van DNS-opvraag:
Uitkomst van functionele controle:
Oude waarde nodig voor herstel:
Dit is een invulvoorbeeld, geen zonebestand om te importeren. Gebruik de gegevens van uw eigen domein.
Vraag na opslaan het bedoelde type op bij de actieve nameserver en via uw gewone DNS-resolver. Een verschil kan door caching komen, maar ook door bewerken in de verkeerde zone. Werkt DNS wel en HTTPS niet, onderzoek dan of de ontvangende hosting het domein en certificaat kent. Bij een fout herstelt u alleen het betrokken record en test u opnieuw; een complete zone terugzetten kan tussentijdse geldige wijzigingen verliezen.